Oudfries in Ostfriesland

Aurich

Hier aan Marktplatz 24 in Aurich woonde rond 1800 Tileman Dothias Wiarda. Hij was een advocaat met een passie voor geschiedenis en de eerst bekende eigenaar van de Eerste Emsinger Codex: een Oudfries wetboek geschreven in de 15e eeuw.

Luister dit verhaal als podcast

Hier aan Marktplatz 24 in Aurich woonde rond 1800 Tileman Dothias Wiarda (Emden 1746–Aurich 1826). In deze stad begon hij zijn carrière als advocaat en werd hij later Landsyndikus (wettelijke vertegenwoordiger) voor het Oostfriese Landschap. Wiarda is de eerst bekende eigenaar van de zogenoemde Eerste Emsinger CodexCodex is een synoniem voor handschrift of manuscript, een premoderne geschreven tekst in boekvorm., een handgeschreven boekje met wetsteksten in het Oudfries. Gezien zijn werk als jurist is zijn interesse in het boek niet verwonderlijk. Sterker nog, in Wiarda’s eigen tijd vormden de Oudfriese wetten nog steeds de basis van het rechtssysteem in Oost-Friesland.

Wiarda’s band met Aurich speelde ongetwijfeld ook een rol in zijn interesses. Een zin uit de Eerste Emsinger Codex luidt (in vertaling): “Het ding zal men houden met de zeven vertegenwoordigers van de mensen van de Zeven Zeelanden, bij de Upstalsboom, op dinsdag in de pinksterweek, volgens het recht van alle Friezen.” Het ding was een Germaanse volksverzameling waarbij recht werd gesproken. In Frisia werden deze volksverzamelingen bezocht door lokaal gekozen vertegenwoordigers uit alle Friese ZeelandenDe Zeven Friese Zeelanden waren gebieden vergelijkbaar met moderne gemeenten of districten. De zeven pompeblêden op de Friese vlag refereren naar de mythische zeven zeelanden. In werkelijkheid was middeleeuws Frisia verdeeld in veel meer gebieden.. Deze ontmoetingen werden gehouden bij de zogeheten UpstalsboomDe locatie waar recht werd gesproken. Dit was mogelijk een boom, maar het kunnen ook palen of een slagboom zijn geweest., waarschijnlijk op een plek vlakbij Aurich.

Monument voor de Upstalsboom bij Aurich (foto Matthias Süßen, 2008)

Wiarda’s ideeën werden in zijn tijd goed ontvangen en zijn publicaties over de Oudfriese handschriften, taal en geschiedenis zijn onmisbaar geweest voor het wetenschappelijke onderzoek naar het Fries en naar Friesland. Bestaande bronnen maakte hij bekend bij een breder publiek en een aantal teksten zijn alleen bewaard gebleven dankzij Wiarda’s transcripties. Bovendien was Wiarda lid van het Groninger genootschap Pro Excolendo Iure Patrio, waarvan de leden middeleeuwse Germaanse wetsteksten uit de Noordelijke Nederlanden verzamelden en bestudeerden. Net als een aantal andere leden van Pro Excolendo had Wiarda meerdere Oudfriese handschriften in bezit, zoals de Tweede Emsinger Codex, die nu in de Universiteitsbibliotheek Groningen wordt bewaard.

De Eerste Emsinger Codex is waarschijnlijk in het begin van de vijftiende eeuw geschreven. De Tweede Emsinger Codex dateert van ergens tussen 1448 en 1500. Ondanks het leeftijdsverschil zien de handschriften er bijna hetzelfde uit: ze hebben hetzelfde formaat, ze zijn geschreven in vergelijkbare stijlen, en ze zijn gebonden in soortgelijke achttiende-eeuwse banden. De bekende provenantieDe provenantie van een boek beschrijft wie de vorige eigenaars zijn geweest. is identiek. De inhoud verschilt echter en de Tweede Codex is waarschijnlijk bedoeld om naast de Eerste Codex gebruikt te worden. Het blijft helaas een mysterie waar, wanneer en hoe Wiarda deze codices in handen heeft gekregen.

Universiteitsbibliotheek Groningen, uklu HANDS PROEXC 13, schutblad en fol. 1r

Qua inhoud is de Eerste Emsinger Codex een typisch Oudfries wetshandschrift. Het is een verzameling van kortere teksten. Sommige teksten komen voor in handschriften uit heel middeleeuws Frisia en worden daarom Pan-Friese wettenOmdat deze teksten in handschriften uit heel Frisia voorkomen, wordt algemeen aangenomen dat het wetten zijn die door heel Frisia geldig waren. genoemd. Hieronder vallen ook de twee oudste en belangrijkste Oudfriese wetsteksten, de zogenoemde Zeventien Keuren en de Vierentwintig Landrechten. Samen beschrijven ze de grondprincipes van de Friese VrijheidDe Friese Vrijheid was de periode tussen ca. 1100 en 1498. In die tijd was Frisia uitgezonderd van het feodale systeem. Hierin onderscheidde Frisia zich van de omliggende landen. Door de afwezigheid van heren, ridders en lijfeigenen werd het Friese recht een belangrijke middel om de Friese Vrijheid in stand te houden., inclusief het recht van de Friezen om een eigen rechtssysteem te voeren en het recht om een lijfstraf af te kopen met een geldboete. Andere teksten waren juist lokaal en hadden betrekking op een van de Friese districten. De Emsinger Codices ontlenen hun naam aan zo’n district. Hoewel in de Eerste Codex geen locaties worden genoemd, komt een van de teksten overeen met een tekst uit de Tweede Codex: het Emsinger Boeteregister. Dit boeteregister bestaat uit een lijst criminele vergrijpen en de geldboetes die hier tegenover staan.

Het onderwerp van de wet brengt ons terug naar de mensen achter de handschriften. De makers en eigenaren die Wiarda voorgingen, blijven onbekend. Een aantal van hen heeft echter wel aantekeningen gemaakt in de marges. Dit laat zien dat de handschriften intensief gebruikt zijn in de Friese rechtspraak.

Universiteitsbibliotheek Groningen, uklu HANDS PROEXC 13, fol. 12r

Toen Wiarda’s boeken na zijn dood werden geveild, heeft het genootschap Pro Excolendo Iure Patrio de Eerste en Tweede Emsinger Codices gekocht. Kort daarna zijn ze in bewaring gegeven aan de Universiteitsbibliotheek Groningen, samen met de rest van de Pro Excolendo-collectie – inclusief de handschriften besproken in de Verhalen van Frisia “Onrust in de Ommelanden” en “Elema en z’n Saksenspiegel.”

Auteur: Nate Berger

  • Heeft u extra informatie?Help ons dit verhaal aan te vullen
    Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
    Naam